Kwaliteitscontrole

Van het allergrootste belang bij de aanmaak van potgronden of substraten is de zorg voor de STRUCTUUR van het groeimedium. Een slechte structuur van de potgrond is immers niet meer bij te sturen tijdens de cultuur. Daarom is het zeer belangrijk dat de plant wordt verpot in een substraat met een goede structuur.

De structuur van de te bereiden potgrond zal in de eerste plaats afhangen van de kwaliteit van de grondstoffen en de manier waarop men deze verwerkt.

We kunnen stellen dat structuur vooral te maken heeft met de lucht-waterverhouding van een substraat.

Witveen producten (veenmosveen, turfstrooisel, hoogveen) geven in de regel een hoger lucht -watergetal dan zwartveen producten.

Ook de grofheid van deze producten is bepalend voor de lucht -waterverhouding van een substraat. Fijne structuren geven in de regel lagere luchtgehaltes en hogere watercapaciteiten dan grove structuren.

Hieronder volgt een opsomming van de door ons meest aangewende grondstoffen met een korte omschrijving van de oorsprong en de belangrijkste eigenschappen.

Duitse turfzoden

Witveen kan op verschillende manieren worden ontgonnen.

Bij de horizontale methode wordt de turf laag per laag gefreesd, gedroogd en geoogst.
Deze methode is het goedkoopst, doch het frezen brengt een grote verfijning van het product met zich mee wat nadelig is voor het luchtvolume. Bij de verticale methode worden turfblokken machinaal gestoken en op het veld gedroogd.

Om de blokken te drogen dienen zij meerdere malen manueel te worden gekeerd.
Deze duurdere methode heeft het voordeel dat de structuur niet wordt geschaad. De potgrondfabrikant kan dan zelf malen en zeven volgens de behoeften.

De Duitse turfzoden worden gevonden in het noordwesten van Duitsland. Kenmerkend voor deze turfsoort is zijn stugge, harde structuur.

De turfbrokjes die men in bereide potgrond aantreft, beïnvloeden de lucht-waterverhouding zeer positief en geven de potgrond een stabiele structuur, ook na maandenlange cultuur.

Ierse turfzoden

Deze turfzoden (uiteraard ook ontgonnen volgens de verticale methode), afkomstig uit Ierland, benaderen het best de structuur van de Duitse turfzoden.

Na malen en zeven wordt eveneens een relatief stugge materie bekomen met een relatief lage watercapaciteit. De harde brokjes blijven aanwezig na verwerking waardoor de lucht- waterverhouding positief wordt beïnvloed.

Het grote nadeel bij de Ierse turfzoden is dat ze niet constant kunnen worden aangevoerd. Het zeer wisselvallig klimaat aldaar bemoeilijkt het drogen en het transport van de turfzoden

Baltische turfzoden

Deze turfzoden worden ontgonnen in de Baltische staten, namelijk Estland, Letland en Litouwen.

Baltisch veenmosveen is vrij jong, heeft een zeer hoog luchtvolume en hoge watercapaciteit. Het veen is zachter dan het Duitse en Ierse veen. Hierdoor is het ook gevoeliger voor structuurbederf tijdens de verwerking en het composteert ook vlugger dan het Duitse of Ierse veen.

Baltisch veenmosveen (freesmethode)

Deze turf, afkomstig uit de Baltische staten, is ontgonnen volgens de horizontale methode. Het heeft een hoge watercapaciteit. Door het frezen ontstaat er enig structuurbederf wat resulteert in een lager luchtvolume. Het product is broeigevoelig.

Het blijft echter een zeer geschikte grondstof voor substraten voor teelten met een korte teeltduur.

Tuinturf

Op de veenderijen bevindt zich onder het hoogveen, het laagveen (ook wel zwartveen of tuinturf genoemd).

Niet doorvroren zwartveen heeft een zeer laag luchtvolume en lage watercapaciteit en neemt na uitdroging, geen water meer op. Het is in feite ongeschikt voor verwerking in potgronden.

Daarom laat men deze turfsoort tijdens de hardere winters in het noorden eerst doorvriezen op het veen. Door dit doorvriezen krijgt de turf een betere structuur en wordt hij geschikt voor tuinbouwdoeleinden. Na een zachte winter zal men dus extra aandacht moeten besteden aan deze turfsoorten.

Kokosgruis en kokosvezels

Als alternatief voor de vele turfsoorten kunnen we terugvallen op o.a. Kokosgruis en kokosvezel. Deze producten komen voort uit de kokosnoot. Het harde, niet voor consumptie geschikte omhulsel van de kokosnoot wordt eerst in water geweekt waardoor het zacht wordt. Daarna wordt het vermalen tot gruis, terug gedroogd en geperst. Ook de vezel van de noot kan worden aangewend als grondstof voor teeltsubstraten.

Klei

De door ons aangewende klei vinden we terug in Belgische kleigroeven. Het zijn onontgonnen percelen kleigrond waarvan de bovenlaag werd afgegraven.

Klei wordt in potgrond gebruikt om het waterbufferend vermogen te vergroten. Klei droogt immers minder vlug uit dan turf.

Het verzwaart uiteraard het schijnbaar soortelijk gewicht van de potgrond.

Zand

Zand wordt eveneens ontgonnen in België.

Er wordt enkel gewassen zand gebruikt om het zoutgehalte zo laag mogelijk te houden.

Zand wordt in diverse substraten aangewend om het drainerend vermogen te vergroten.

Perliet

Perliet wordt bekomen uit een vulkanisch gesteente.
Door een verhitting tot 1200° C verdampt het kristalwater waardoor een poreuze korrel ontstaat die heel luchtig is en toch nog water absorbeert.

Ontstofte perliet is zeer geschikt om de watercapaciteit in turfsubstraten te beperken en het luchtvolume te vergroten.

Gezien het een inert materiaal betreft, blijft de structuur op langere termijn ook intact.

Diverse materialen

Naast de hierboven opgesomde basisgrondstoffen worden in tal van mengsels nog verscheidene andere grondstoffen verwerkt.

We beperken ons tot een eenvoudige opsomming ervan: gecomposteerde schors van naaldhout, verteerde stalmest, groencompost, geëxpandeerde kleikorrels, steenwol, lavagruis, enz...